Dierenkliniek Brielle respecteert uw privacy en gebruikt daarom alleen cookies die noodzakelijk zijn voor het functioneren van de website.
Klik hier voor meer informatie.
Het westnijlvirus (WNV) is een virus dat wordt overgedragen door muggen. Sinds 2025 wordt het virus in Nederland ook bij paarden en mensen aangetroffen. Het virus circuleert van nature tussen vogels en muggen; een paard (of mens) kan besmet raken via een muggenbeet, maar is daarna zelf geen bron van besmetting voor andere dieren of mensen.
Ongeveer 80% van de paarden die met het virus in aanraking komen, merken er weinig tot niets van. Bij ongeveer 20% van geinfecteerde paarden ontstaan wel ziekteverschijnselen, die kunnen variëren van milde koorts tot ataxie en ernstige neurologische uitval. Omdat er geen specifieke behandeling tegen het virus bestaat, zijn preventie en vaccinatie extra belangrijk. Op deze pagina beantwoorden we de belangrijkste vragen voor paardeneigenaren.
De kans hangt sterk af van het seizoen en de regio. Muggen die het virus kunnen overdragen zijn actief van ongeveer mei tot oktober, met het grootste risico in de nazomer (warme, vochtige periodes zorgen voor meer muggen en meer virus in de muggenpopulatie).
In gebieden waar het virus al langer voorkomt (zoals delen van de Verenigde Staten en Zuid-Europa) is gebleken dat niet ieder paard dat wordt blootgesteld ook daadwerkelijk ziek wordt: naar schatting krijgt slechts 10-20% van de geïnfecteerde paarden merkbare ziekteverschijnselen. De overige 80 tot 90% maakt de infectie door zonder dat de eigenaar het opmerkt. Dat betekent niet dat het risico verwaarloosbaar is — vooral omdat de gevolgen bij de paarden die wél ziek worden soms ernstig kunnen zijn.
Let op de volgende, vaak geleidelijk verergerende verschijnselen:
Bij een deel van de zieke paarden ontwikkelen zich vervolgens ernstige, neurologische verschijnselen, zoals:
Bij twijfel over een of meerdere van deze verschijnselen kunt u het beste direct contact met ons opnemen.
Neem contact op zodra u één of meerdere van de bovenstaande signalen opmerkt. De ziekte kan, bij verslechtering, in ongeveer 5 tot 7 dagen verergeren tot het punt waarop een paard niet meer overeind kan komen. Vroege beoordeling door de dierenarts geeft de beste kans op een goede afloop: paarden die op de been blijven hebben een aanzienlijk betere prognose dan paarden die blijven liggen.
Nee. Het virus circuleert tussen vogels en muggen. Een paard (en ook een mens) is wat men een “eindgastheer” noemt: er komt na infectie onvoldoende virus in het bloed van het paard om een mug die het paard bijt opnieuw te besmetten. Uw paard vormt dus geen besmettingsrisico voor andere paarden, voor mensen, of voor andere huisdieren. Direct contact met een besmet paard is niet gevaarlijk.
Een paard dat de infectie heeft doorgemaakt (met of zonder zichtbare ziekteverschijnselen) maakt eigen antistoffen aan en is daarna waarschijnlijk voor langere tijd beschermd tegen herinfectie. Dit betreft dan wel alleen bescherming tegen de virusstam waarmee het in aanraking is gekomen. Er zijn op dit moment 2 verschillende stamlijnen bekend. Het vaccin beschermt tegen beiden. Vaccinatie blijft daarom ook voor paarden die het virus al hebben doorgemaakt, aan te raden.
Er bestaat geen specifieke behandeling of antiviraal middel tegen het westnijlvirus bij paarden. De behandeling is ondersteunend en gericht op de symptomen, en bestaat onder andere uit:
Hoe eerder de behandeling start, hoe groter de kans op herstel. Bij paarden die neurologisch ernstig ziek worden, is de prognose helaas wisselend: een deel herstelt volledig, een deel houdt blijvende restverschijnselen (zoals een afwijkend looppatroon), en een deel overlijdt aan de gevolgen van de infectie.
Omdat er geen behandeling bestaat tegen het virus zelf, is voorkomen beter dan genezen.
De belangrijkste maatregelen, naast vaccinatie:
Ja. Vaccinatie is de belangrijkste manier om uw paard te beschermen tegen ziekte door het westnijlvirus en wordt in de gebieden waar het virus voorkomt voor alle paarden geadviseerd. Een vaccin voorkomt niet gegarandeerd elke infectie, maar vermindert wel duidelijk de kans op een ernstig ziektebeeld: gevaccineerde paarden die toch besmet raken, worden doorgaans minder ziek en hebben een betere overlevingskans dan ongevaccineerde paarden.
Bij voorkeur in het vroege voorjaar (ongeveer februari tot april), ruim vóór het begin van het muggenseizoen. Na de basisreeks (of een jaarlijkse boostervaccinatie) duurt het namelijk nog 1-2 weken voordat de volledige bescherming is opgebouwd. Vaccineren op het laatste moment, wanneer de eerste muggen al actief zijn, biedt dus mogelijk niet op tijd bescherming. Daarna is jaarlijkse hervaccinatie in het voorjaar nodig om de bescherming op peil te houden.
Vanaf ongeveer 6 maanden. Is de moeder eerder al gevaccineerd, dan is het advies soms anders vanwege de bescherming die het veulen al via de biest (colostrum) heeft meegekregen. Bij veulens kan op basis van de situatie het beste een specifiek vaccinatieschema bepaald worden.